Tweede brief van Sleeckx

De tweede brief volgt meer dan een jaar later. Er is inmiddels veel gebeurd. Op 22 november 1844 verscheen het allerlaatste nummer van Vlaemsch-België. Ondanks verwoede pogingen vond men geen investeerders bereid om nog verder te investeren in de krant. De voornaamste reden was dat de krant geen politieke kleur wou kiezen, en toen De Laet dat uiteindelijk wel wou doen, vond men hem ongeloofwaardig.


Een dag later viel bij de abonnees het eerste nummer van De Vlaemsche Belgen in de bus, met Sleeckx en Van de Velde als hoofdredacteurs, en met financiële steun van katholieke zijde. Sleeckx deed dus exact wat hij en anderen jarenlang aan Conscience zouden verwijten in verband met de herwerking van zijn debuutroman. Hij verkocht zich aan de katholieke partij. Volgens Sleeckx is het falen van Vlaemsch België voor de volle 100 % op het conto van De Laet te schrijven, zoals hij op 25 november 1844 in een brief aan Jules de Saint-Genois omstandig uitlegt. En Conscience zou het daarover helemaal met hem eens zijn. Het was duidelijk dat ook interne twisten en naijver binnen de redactie hun rol hadden gespeeld bij het ter ziele gaan van de krant. Conscience zelf was zwaar aangeslagen door de mislukking, want hij had ‘als een slaaf’ voor de Vlaamse zaak en voor Vlaemsch België gewerkt: ‘de ondankbaerheid van hen aen wien ik niet alleen mynen tyd opofferde; maer voor wien ik myn persoon in standen gesteld heb, waeruit ik niet zonder wonden ben geraekt: die verstandelooze ondankbaerheid heeft my eene bittere les gegeven’, schreef hij aan Ferdinand Snellaert, op 7 mei 1845. Hij was er depressief van geworden, had zich uit alle tijdschriften teruggetrokken, ging niet meer naar de Olyftak en betreurde dat er geen eenheid was in Antwerpen. En toch zag hij lichtpuntjes. Hij had jonge schrijvers leren kennen als Jan van Beers, Hendrik B. Peeters en Eugeen Zetternam. En hij leek er terug moed in te krijgen, want hij voegde de er aan toe: ‘In alle geval myn nek is hard en myn moed nog jong; myne werkloosheid is eene nieuwe inzameling van krachten.’

Op 20 juni 1845 leden de katholieken bij de verkiezingen de nederlaag. Meteen werd de steun aan De Vlaemsche Belgen stopgezet en tien dagen later verscheen het laatste nummer. Sleeckx en Van de Velde vielen evenwel niet zonder werk, want ze waren voor hun uitgever C.J.A. Greuse al enige tijd bezig met het samenstellen van een Fransch-Vlaemsch en Vlaemsch-Fransch Woordenboek in de nieuwe spelling die sinds oktober 1841 in België gangbaar was. Het zou in afleveringen verschijnen, en half juni werd het prospectus gelanceerd met een voorbeeldkatern. In dit prospectus werd Conscience vermeld als een van de medewerkers. Conscience schreef trouwens een mooi artikeltje hierover in het Kunst- en Letterblad (jg. 6 (1845) nr. 25, p. 99) en noemde het woordenboek ‘de gewigtigste en nuttigste pooging […] sedert de opkomst onzer letterkunde’ om de kring van die jonge letterkunde ook ‘tot het wetenschappelyk onderwys uit te breiden en werken van algemeen en dagelyksch nut aan het volk te leveren’.

Niet onbelangrijk is evenwel dat Conscience op 26 juli, nog geen maand na het verdwijnen van De Vlaemsche Belgen een nieuw geheim genootschap gesticht had ter ondersteuning van de Vlaamse zaak, niet onpartijdig, niet partijdig, maar bovenpartijdig. Het heette De Toekomst heten, en zou vanaf 9 december herdoopt worden tot het Heilig Verbond. Bij de leden wel Jan de Laet, Door van Ryswyck en Sus van Kerckhoven, maar niet Sleeckx en Van de Velde. Ik bespaar jullie de volledige ledenlijst. Wie zijn weg verliest bij al die namen kan trouwens terecht in het menu van deze website onder het kopje De biografie/Dramatis personae.

Brief 2

Brussel 2 september 1845

Vriend Sus,

Ik ben al verscheidene keeren des zondags ’s morgens aen de Statie geweest, om te zien of ge nog niet een keer naer hier kwaemt. Ik heb u nog niet gezien. Ge zult zeker naer de expositie wel komen zien, he? In dat geval, wij woonen nu op zy den yzerenweg in de zavelstraat N° 1, nevens de Groenstraat. In geval ge ons direkt wilt vinden als ge naer Brussel komt ga dan naer de herberg Le Chateau d’Anvers bij Stuyck, aen de statie bij den uitkoom, en vraegt naer ons. Ze zullen ’t u daer wel zeggen. Indien ge den rik [= Consdcience] ziet geeft hem myn adres zoo ook. En zeg hem ne keer, dat hij ons ook al gauw komt bezoeken.
Ge zoudt niet kunnen gelooven wat een plezier het ons zou doen, zoo eens iemand van eulie hier te zien. We leven hier lyk kluizenaren. Alle grondige dagen wroeten van ’s morgens tot ’s avonds, en nielabnd zien; want zeg nu aleens wie zouden we zien. We wonen aen den eenen kant van de stad en het is wel een maend leden dat ik niet meer in de stad geweest ben.
De eerste levering van ons woordenboek is afgedrukt. Ze zal deze week nog uitkomen. Ge moet ons eenen dienst doen. Dat de kalotten van Gent, en andere plaatsen er wat zullen weten op af te wijzen, dat laet zich bevroeden. Maer hoe stout ook! Twee menschen zonder grys hair, die een woordenboek maken, hoe zou dat boek kunnen goed zyn. Zie nu hier. Conscience, [Pieter] Ecrevisse, [Jan Baptist] Pietersz. enz. laten ons hunnen naem als meêwerkers op den titel drukken. Dat stelt zoo een zeker soort van dyk daer, tegen de woede der vissers. Ge moet ons de permissie geven, uwen naem daerby te zetten, met titels enz. Comprometteeren zult ge er u niet meê doen, dat beloof ik u. Indien ge er conscientie in maekt er uw naem op te zetten, daer ge niet metterdaed meêwerkt, wel dan zullen wy u proeven zenden. Dat ware ons zelfs aengenaemd zoo ge wekelijks 16 bladzyden met wat zorg wildet overzien. He! Wilt ge? Het zal ons plezier doen. Schryft ons daer ons eens spoedig over.
De mannen van Gent spelen hier woensdag. Dat waer eene goede occasie; maer ik weet niet of de expositie met de september feestdagen wel open is. Wacht, ik zal eens zien – Ja, ja ze is open, dus, zie wat ge doet. Komt met den rik, zoo niet schryft zoo gauw als ge kunt, wat we met uwen naem mogen doen, en wanneer ge komt.
Hoe gaet het ginds by eulie? En met de familie. By ons is alles goed.

Jaek [Van de Velde] drukt u de hand.

Mynheer
Mynheer Van Kerckhoven,
Letterkundige
Koepoortstraat
Antwerpen
Bruxelles 22 sept. 1845
Anvers 23 sept. 1845

Uw vriend,
D. Sleeckx

*****

Opdracht van Hippoliet van Peene, de tekstschrijver van De Vlaamse Leeuw, aan Conscience in de boekuitgave van zijn bewerking van Siska van Roosemael. (Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis.)

De mannen van Gent zijn de leden van de Gentse maatschappij Taelyver en Broedermin. Zij spelen op woensdag 24 september in de Parkschouwburg een toneelbewerking van Consciences roman Siska van Roosemael, geschreven door hun voorman Hippoliet van Peene. De opbrengst gaat naar de armen van de stad Brussel.
De expositie waar Sleeckx het over heeft is de Nationale tentoonstelling van schone kunsten, die op 15 augustus geopend werd door de minister Sylvain van de Weyer, en waar 846 stukken te zien zijn. Een jaar eerder heeft Van Kerckhoven over een gelijkaardige tentoonstelling geschreven in Vlaemsch-België.

Brieven van Domien Sleeckx aan Pieter Frans van Kerckhoven

De komende weken ga ik hier de brieven publiceren van Domien Sleeckx (1818-1901) aan Pieter Frans van Kerckhoven (1818-1857), voor zover bewaard. Waarom doe ik dat? Wel, ik geniet van de taal waarin de brieven geschreven zijn, het af en toe zeer sappige patois van Sleeckx. Maar het zijn toch vooral belangrijke brieven, 32 in totaal, die een heel verhaal vertellen en zeer goed de sfeer weergeven van het geruzie in de jonge Vlaamse beweging tussen 1844 en 1850. De belangrijkste figuren worden veelal gewoon bij hun roepnaam genoemd: Sus (P.F. van Kerckhoven), Rik (Hendrik Conscience), Door (Theodoor van Ryswyck), Jan (Jan Alfried de Laet), …

Domien Sleeckx door Ernest Slingeneyer (1841)

Sleeckx en Van Kerckhoven zijn allebei vrienden van Conscience die na enige tijd met hem gebrouilleerd raakten, de eerste in 1845, de tweede een jaar later. We zien in deze brieven hoe Sleeckx geleidelijk aan kwaad wordt op Conscience en zijn woede probeert over te brengen op zijn vriend Sus, die een tijdlang Conscience trouw blijft. Maar wanneer Conscience twee keer stevig tegen de kar van Van Kerckhoven rijdt, keert die zijn kar en wordt een van Consciences ergste tegenstanders. Die evolutie kunnen we in deze brieven goed volgen. Jammer genoeg gaat deze briefwisseling maar in één richting. De antwoorden van Van Kerckhoven zijn niet bewaard, of in ieder geval tot nog toe niet opgedoken.
De brieven worden hier letterlijk genoteerd in de commissiespelling, die in die tijd gebruikelijk was, en van de Nederlandse spelling afweek door het gebruik van y i.p.v. ij en ae en ue i.p.v. aa en uu. Er worden geen voetnoten gebruikt. Soms wordt in de brieven tussen vierkante haken nuttige informatie toegevoegd, zoals voornamen of familienamen of een beroep. Bij elke brief komt een inleiding en een nawoord, waarin nog een en ander verhelderd wordt. Bij elke nieuwe brievenpost verhuist de brief naar de website onder het menu ‘Verhalen’.
De originele brieven worden bewaard in het Koninklijke Bibliotheek in Brussel, en een fotografische reproductie bevindt zich in het Letterenhuis. Ik heb mij op deze reproducties gebaseerd.

Sleeckx en Van Kerckhoven hebben tijdens hun leven elk een omvangrijk oeuvre bijeen geschreven en hebben daarmee een belangrijke plaats verworven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur.
Ze leerden mekaar kennen op het Antwerpse Atheneum, toen nog gevestigd in de Prekersstraat, waar ze beiden studeerden met een studiebeurs van de stad. Eenmaal afgestudeerd vertrok Van Kerckhoven met een beurs naar Bologna om daar medicijnen te gaan studeren. Sleeckx was twee jaar notarisklerk en werd dan leraar in de Modelschool aan Prinsenstraat nr 1, waar voor de omwenteling ook Conscience een tijdje ondermeester geweest was bij Joseph Shaw, en daarna in de Meistraat. Sleeckx vertelt over zijn kindertijd en de vroege jaren van zijn carrière in Indrukken en Ervaringen, postuum uitgegeven in 1903 en in een uitgebreidere versie in 1982 bij Orbis Orion. Het probleem met memoires geschreven op het eind van een leven is wel dat ze niet altijd even accuraat zijn. Zo vertelt hij daarin dat hij op 2 februari 1818 geboren is in de Pompstraat. Dat is ook de straat waar Conscience geboren is. Iedereen neemt die gegevens vlotjes over, maar niemand geeft het huisnummer. De datum klopt, maar de straat niet. De bevolkingsregisters liegen niet. Daarin staat dat Sleeckx niet in de Pompstraat geboren is, maar vlakbij in de Sint-Jansstraat, de huidige Aalmoezenierstraat, en wel in nr. 19, waar zijn ouders inwoonden bij zijn grootouders langs moederszijde. Pas op 24 november 1819 verhuisde hij naar de Pompstraat nr. 18 en vervolgens op 16 april 1820, nog geen vijf maanden later, naar de Steenbergstraat 27, om op 19 augustus 1820 opnieuw bij de grootouders te belanden in de Sint-Jansstraat. Daar was ruimte vrijgekomen doordat de onderhuurster overleden was en twee broers van zijn moeder elders een schoenmakerij wilden beginnen.

In juni 1838 keerde Van Kerckhoven na drie jaar om ‘politieke’ redenen uit Bologna terug en kwam Sleeckx opzoeken. Samen discussieerden ze over literatuur en ze daagden mekaar uit verhalen te schrijven. Hij zette nog even zijn studies verder aan het Sint-Elisabethziekenhuis, waar hij ‘ontdekt’ werd door Jan de Laet en Conscience. Van Kerckhoven moet een grote indruk op Conscience nagelaten hebben, want hij nam vier verzen van hem op als motto van het 22ste hoofdstuk van De Leeuw van Vlaenderen, en introduceerde hem op 2 december 1838 in De Olyftak. Sleeckx zou al snel volgen. Van Kerckhoven liet de geneeskunde achter zich en werd klerk op het kantoor van zijn vader. Hij startte het Vlaamse literaire tijdschrift De Noordstar (1840-1842), waaraan Conscience, De Laet en Door van Ryswyck onmiddellijk hun medewerking toezegden. Later werd hij lid van Consciencers geheime genootschap De Hermans. De belangrijkste realisatie van De Hermans was de stichting van de krant Vlaemsch-België (1.1.1844 – 22.11.1844). Jan de Laet werd hoofdredacteur (en zou wegens ziekte een tijdlang door Conscience vervangen worden) en als redacteuren werden Domien Sleeckx en Jaak van de Velde aangenomen. De drie heren verhuisden eind 1843 naar Brussel, waar Sleeckx tien jaar zou blijven. Het is uit deze periode dat deze briefwisseling dateert.

De eerste brief schrijft Sleeckx gedeeltelijk in hoedanigheid van redacteur van Vlaemsch België. Sus van Kerckhoven was een van de medewerkers en publiceerde van 25 tot 28 juli 1844 een reeks artikelen ‘Dryjarige pronkzael voor  beeldende kunsten te Gent’, waarin hij de schilderijen in de tentoonstelling van de Gentse academie bespreekt. Het is naar deze reeks dat Sleeckx in zijn brief verwijst.

Brief 1

Brussel, 24 Augusty [1844]
Vriend Sus,

Ik had u al eerder moeten schryven zult gy zeggen; het is waer, maar zie, gy moogt my gelooven, ik verwaerloos alle myne vrienden en kennissen, niet alleen omdat my dikwyls de tyd ontbreekt, maer nog, omdat ik dikwyls in den dag zoodanig zat geschreven ben, dat het my moeite kost voor my zelven eene letter op het papier te zetten.

Ik ben echter voornemens het anders aen te leggen, en daarom begin ik met u te schryven. Waerom wy aen uw verzoek, van over [Ildefons] Stocquaert in eene noot te spreken, niet hebben voldaen, zal Jan [de Laet] u zeker al gezegd hebben. Het is inderdaed waer, Sus, die Stocquart gy weet het heeft sedert lang iets tegen Jan, en van daer gaet hy uit om vlaemsch belgië te benadeelen. De reden waerom wy uit gesneden hebben wat gy van hem zegde, kent gy dus; het is dezelfde die ons u heeft doen verzoeken wat meer van [Théodore-Joseph] Canneel te schryven, die misschien geen goed schilder, maer toch een warm Vlaming is, daer hebben wy bewyzen van. Altyd en overal de heilige zaek voor alles!

Wat gy daer gedaen hebt met die Societeit te stichten is voortreffelyk, ik hoop dat het zal voorspoedig gaen. Uwe redevoering is fraei en warm. Zy moet effekt gedaen hebben. Ik twyfel niet of de duitsche blaren zullen ze geheel of gedeeltelyk overnemen.

Apropos, zie hier welke bladeren stukken uit uwe tentoonstelling van Gent hebben overgenomen: Het Journal de la Haye, der Annonce nu de Impartial de Bruges, la Chronique de Courtrai, de Vlaming, De Gazette van Westvlaenderen, de Staetscourant, de Rotterdamsche Courant, de Kölnische Zeiting enz.

Ik heb uwe redevoering vrydag niet meer kunnen zetten omdat zy ons wat laet is toegekomen. Het entête is niet groot gelyk gy ziet, maer de tyd ontbrak my. Reken dat ik heel de staetkunde op myn lyf heb; daerby een deel van ’t stadsnieuws want Jaek [van de Velde] heeft werk genoeg met fondsartikelen te schryven. Daerby heb ik Nothomb nog een beetje op zynen kop moeten zitten, gelyk gy ziet; zoodat gy wel denken kunt dat ik de handen vol had. By de eerste gelegenheid zullen wy daer echter op terug komen.
Wat gy moest doen Sus, ge moest ons zoo van tyd tot tyd wat nieuws schryven dat ge by eulie zoo al hoort. Gy denkt gy dat dat weinig belang bybrengt, maer gy bedriegt u. Er zyn er onder de gazetlezers heel veel die enkel op nieuwskens leven, en voor die is een versch nieuws eene zeer lekkere spys. Gy moet daerby denken, dat een dagblad onder alle betrekkingen moet goed zyn, en al die klein vodden maken een groot deel van deszelfs waerde uit.

Hoe staet het met de zaek te Antwerpen? Wy doen zien al wat wy kunnen, en ik beloof u dat we niet zwygen. Er zy[n] hier natuerlyk lyk by eulie ook al kou kiekens, maer wat moeten we doen? Eene onderneming gelyk de onze bestaet uit verschillende elementen, en wy kunnen niet vragen dat zy allen zyn gelyk wy. Als de flauw mannen by alle hunnen onbeduidendheid maer nog niet willen voor de aenleiders, voor de bazen doorgaen, dan is het nog niets.

Hoe staet het met den Door en zyne klik? Is Piet Poels ook van uwe Maetschappy, en wie nog? Gy moest my daer zo eens over schryven, ik hoor of zie byna niemand. Met Jan hebben wy altyd over zooveel andere dingen te spreken, dat we de rest vergeten; Gy moet my van tyd tot tyd als gy niet te laet slaept, daer zoo als eens iets laten weten.

En Manen [= Emmanuel Rosseels]? Zeg my hoe is die? Goed, maer onnoozel he? Schryf my eens of en hoe hy voor de Vlaemsche zaak is. Ik moet een recensie van zyn tydschrift [De Vlaemsche Letterbode (1843-1845)] maken, en ik zal my op zyn gedrag regelen.

Jules de St. Genois heeft my een brief en zyne werken gezonden. Hy is fel kontent. Ik heb hem echter harde waerheden gezeid, daer ik gelyk ge gezien heb[t] later wat honig heb moeten overdoen. Ik geloof dat die man, een goede zou zyn … indien hy niet te Gent ware.

Myne vrouw gaet goed. Myn tweede kleine geloof ik zal aftrekken. Hoe gaet het by u? zorg eens dat ge my wat schryft, he!

Herman D. Sleeckx

Sleeckx heet natuurlijk niet Herman, maar hij is ook lid van Consciences geheime groep de Hermans, en die spreken mekaar zo aan. De ‘Stocquaert’ waar hij zo tegen te keer gaat is de landschaps- en dierenschilder Ildephonse Stocquart (1819-1889). Hij werd geboren in Geraardsbergen, studeerde aan de Academie in Antwerpen, en zou in 1851 naar Sint-Joost-ten-Noode verhuizen. Blijkbaar was hij Vlaamsvoelend genoeg om aandacht te krijgen in Vlaemsch België, en had hij al eens met hoofdredacteur Jan de Laet in de clinch gelegen. Hetzelfde geldt blijkbaar ook voor Emanuel Rosseels: als hij niet voldoende voor de Vlaamse zaak werkt, krijgt zijn tijdschrift een negatieve bespreking, wars van de inhoud.
Ook over Jules de Saint-Génois doet Sleeckx nogal uit de hoogte. Hij heeft zijn historische roman Anna in de krant becommentarieerd. Nochtans is De Saint-Génois geen kleine jongen. Hij was provinciaal archivaris van Oost-Vlaanderen en is sinds 1843 hoofdbibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek. Bovendien is hij een aandeelhouder van Vlaemsch België.

De ‘tweede kleine’ waar hij het over heeft is Frans Jan Sleeckx, die geboren is op 29 juni 1844. We moeten het woord ‘aftrekken’ hier zien in de betekenis van heengaan of sterven. Sleeckx denkt dat de kleine Frans niet zo lang meer zal leven. Hij blijkt inderdaad een zwakke gezondheid te hebben, want hij is gestorven op 8 juni 1851, zes jaar oud. Dat is toch wat langer dan Sleeckx verwachtte. Frans Sleeckx speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Vlaemsch België. Domien Sleeckx ging op 30 juni de geboorte van Frans aangeven en vroeg een Nederlandstalige geboorteakte. Schepen Verhulst van Burgerlijke Stand weigerde en Sleeckx spande een kort geding aan op basis van artikel 23 van de grondwet: ‘L’Emploi des langues usités en Belgique est facultatif.’ Ik schrijf de zin in het Frans, want het zal nog tot 1967 duren voor de Nederlandse tekst van de grondwet rechtsgeldig is. De rechtbank stelde Sleeckx op 27 juli 1844 in het ongelijk op basis van datzelfde artikel. Het taalgebruik in de administratie was bij geen enkele wet geregeld, dus mocht de ambtenaar zelf kiezen welke taal hij gebruikte. Sleeckx werd veroordeeld tot het betalen van de kosten. De loop van het proces werd in Vlaemsch België op de voet gevolgd. Zelfs de pleitredes van de advocaten werden op 21 en 24 juli in de krant gepubliceerd. Tot ver in augustus bleef de zaak een belangrijk topic in verscheidene kranten en weekbladen.

Over dit onderwerp schreef Marc Carlier een interessant artikel: ‘Domien sleeckx (1818-1902) en Vlaemsch België (1.1.1844-22.11.1844)’, in: Verslagen en mededelingen van de KANTL (nieuwe reeks). Jaargang 1991, p. 116-147. (Online terug te vinden in de dbnl.)

Een nieuw boek over Hendrik Conscience

Graag vestig ik de aandacht op een recent verschenen en buitengewoon interessant boek over Conscience: ‘Eene zoete ontroering van medelyden’. Sentimentalisme in Hendrik Consciences zedenromans, van Marlou de Bont. Het is de zeer leesbare handelseditie van een doctoraalscriptie, die al in 2021 bekroond werd door de KANTL. Conscience wordt tegenwoordig als onleesbaar beschouwd, vanwege zijn emotionele personages en zijn gezwollen, pathetische schrijfstijl. Onafgezien van het feit dat sommige critici daarin nogal overdrijven, is dit ook vooral de literaire stijl van die tijd.

Precies dat is het onderwerp van dit boek: het sentimentalisme dat van in de achttiende eeuw tot diep in de negentiende eeuw de Europese literatuur beïnvloed heeft. Het is niet omdat hij onleesbaar was dat zijn oeuvre volledig in het Duits en het Frans vertaald werd en van daaruit zijn weg vond naar heel Europa, en naar Noord- en Zuid-Amerika. Marlou de Bont kijkt van uit het perspectief van het sentimentalisme naar het werk van Conscience. Sentimentalistische literatuur speelt met de wisselwerking tussen gevoel en verstand. Sense and sensibility, zoals dat bij Jane Austen heet. Gevoel als basis voor ethisch handelen, empathie. Conscience wil bij zijn lezerspubliek emoties opwekken vanuit morele doeleinden, hen een moreel kompas geven.

Een uitstekend voorbeeld daarvan is het eerste werk dat De Bont uitgebreid bespreekt: Wat eene moeder lyden kan. Het is de eerste Vlaamse roman waarin armoede zo schrijnend beschreven wordt. Maarten van Ginderachter noemde het recent nog denigrerend ‘poverty porn’. Maar het is niet alleen de armoedige situatie van het gezin dat beschreven wordt. Conscience besteedt vooral aandacht aan twee dames die aan liefdadigheid doen, en de redenen waarom, en wat ze daarbij voelen. Het is de bedoeling dat de rijkere burgers aangezet worden om de arme bevolking te ondersteunen. Daarom is dit kleine boekje ook rijkelijk geïllustreerd met 50 houtsneden.

Veiling op de Vrijdagmarkt. Afbeelding uit Wat eene moeder lyden kan.

Marlou de Bont gaat dieper in op het liefdadigheidsdenken, ook in internationale context en vergelijkt hoe tijdgenoten van Conscience met dit thema omgaan. Op dezelfde manier worden ook de andere romans aangepakt.
Maar er is meer. De zeven romans die besproken worden komen uit drie verschillende periodes van Consciences leven. Het zijn ook allemaal zedenromans, romans die zich afspelen in Consciences eigen tijdperk. De drie periodes krijgen ook allemaal een historische inleiding over de veranderende wereld van genootschappen, uitgeverijen en visies op literatuur in het negentiende eeuwse Vlaanderen.

De eerste romans die aan bod komen zijn Wat eene moeder lyden kan, Hoe men schilder wordt en Siska van Roosemael, geschreven tussen 1841 en 1844, meteen ook de drie romans waarmee Conscience via de Duitse vertaling het continent veroverde. De twee groep omvat de romans De geldduivel (1856) en De koopman van Antwerpen (1863), twee romans die zich afspelen in een burgerlijke context, maar toch zeer verschillend zijn. De eerste roman is veel melodramatischer door een centrale slechte figuur. Maar beide spelen zich af tegen de achtergrond van een kapitalistische zakenwereld, die door Conscience kritisch benaderd wordt. Tot slot komen de twee Roobeek romans aan bod, De oom van Felix Roobeek (1877) en De schat van Felix Roobeek (1878), een diptiek die sterk aanleunt bij de Bildungsroman en mij erg aan Charles Dickens doet denken.
Al deze romans worden degelijk ontleed, in hun context geplaatst. Er wordt gekeken naar de receptie, hoe recensenten in verschillende periodes naar de boeken keken. Daarom is Eene zoete ontroering van medelyden’. Sentimentalisme in Hendrik Consciences zedenromans zo’n geweldig goed boek, dat de lezer kan aanzetten om deze boeken van Conscience te herlezen. En andere interessante romans van hem, ik denk aan Geld en adel, Moederliefde, Het ijzeren graf.

Het boek verscheen bij uitgeverij Garant (Antwerpen / Apeldoorn) en is 365 pagina’s dik.

Lezing in Sint-Katelijne-Waver over de Kempenromans van Hendrik Conscience

Op vrijdag 27 februari om 20u00 is er in Sint-Kathelijne-Waver een lezing over ‘Hendrik Conscience, zijn leven en zijn Kempenromans’. Spreker is Dr. Johan Vanhecke, auteur van Voor moedertaal en vaderland, de bekroonde biografie van Conscience. Meer specifiek zal hij praten over De Loteling, Baes Gansendonck , Blinde Rosa, Rikke-tikke-tak, De arme edelman en De Boerenkrijg. Deze boeken waren ook internationaal behoorlijk succesvol. Waar kwam die liefde van Conscience voor de Kempen vandaan? En zijn het echt verhalen die hij bij het haardvuur in de herberg heeft horen vertellen? In de lezing wordt verder ingegaan op reële gebeurtenissen die mogelijk aan de basis van deze romans liggen.

Plaats: ’t Grom, Midzelen 25a – 2860 Sint-Katelijne-Waver

Het moederbeeld bij Hendrik Conscience

Naar aanleiding van het jaarthema ‘Moeders’ in het Letterenhuis, schreef ik een artikel waarin ik een aantal bijzondere moederfiguren in het werk van Conscience belicht. Het artikel staat in het recentste nummer van Zuurvrij (nr. 49, december 2025). Conscience staat bekend om zijn sterke vrouwenfiguren, waarvan Trien uit De Loteling de bekendste is. Maar veel van die figuren zijn (nog)  geen moeders. In vijf van zijn romans beschrijft Conscience hoe een moeder omgaat met het verlies (al dan niet tijdelijk) van haar kind. Maar er is ook een moeder die ongewenst zwanger is geraakt, een wanhopige moeder in totale armoede, een moeder die alle problemen oplost en een uiterst slechte schoonmoeder. En als toemaatje eindigt het artikel met een ongepubliceerd gedicht met als openingszin: Wie peilt hoe diep de liefde der moeder voor haer kroost is? En dat is ook de titel van het artikel geworden.

Losse nummers van Zuurvrij kosten 8 euro en zijn verkrijgbaar aan de balie van het Letterenhuis.

Conscience en Moyson

Ter gelegenheid van de 213de verjaardag van Hendrik Conscience vorige week heb ik een vrij onbekend artikeltje opgeduikeld waarin de auteur, Hendrik Sermon, vertelt over een ontmoeting die hij had met Hendrik Conscience in 1859. Dat was op de dag dat in Brussel de Congreskolom werd ingehuldigd. Het is anekdote die ondergesneeuwd is, omdat de centrale figuur in dit grappige verhaal eigenlijk de jonge socialist Emiel Moyson is, naar wie het socialistisch ziekenfonds in Oost- en West-Vlaanderen jarenlang genoemd is. De tekst draagt de titel Het lied van de Colonne du Congrès, en ik heb er wat extra uitleg en illustraties aan toegevoegd. https://hendrikconscience.com/conscience-ontmoet-emile-moyson/

Eigentijdse getuigenissen over Conscience.

Ik ben begonnen met het toevoegen van een reeks vrijwel onbekende anekdotische getuigenissen over Conscience. Ze zijn terug te vinden in de menubalk onder Verhalen/Eigentijdse getuigenissen. De eerste getuigenis komt uit een reeks van drie die Jan Alfried de Laet schreef naar aanleiding van het overlijden van Conscience. De Laet kende Conscience al sinds zijn tienerjaren. Deze eerste herinnering gaat vooral over Consciences jeugdige wetenschappelijke passie voor de natuur en zijn experimenten met hommels. (Klik op onderstaande link voor de tekst !)

Conscience in Brussel

Op zaterdag 14 juni spreek ik om 14u30 in de openbare bibliotheek van Ukkel over wat Conscience allemaal uitgespookt heeft in Brussel.

De nadruk ligt uiteraard op de jaren dat hij conservator was van het Wiertzmuseum, van september 1868 tot aan zijn dood. Hij was toen al een gevierd schrijver, met een grote internationale uitstraling. Het waren jaren waarin diep verdriet en groot geluk mekaar afwisselden en waarin zijn gezondheid het geregeld liet afweten. Zijn bezorgdheid om de verdrukking van het Nederlands bleef groot en werd in Brussel door verschillende groepen ondersteund. Het valt ook op hoezeer hij aansluiting vond bij de liberale verenigingen.

Met 21 boeken en een operalibretto op 13 jaar tijd lag zijn literaire productie nog steeds heel hoog, hoewel de kwaliteit nogal wisselde. Toch vinden we hier enkele van zijn beste werken behoren: De kerels van Vlaanderen, De oom van Felix Roobeek, De schat van Felix Roobeek, Eene 0 te veel en Geld en Adel.

Spotten met Conscience

Deze geweldige spotprent toont Hendrik Conscience die, blijkbaar beschonken, de mensen toespreekt op een tafel in een kroeg. Deze prent staat ook op het omslag van een dun boekje, waarin men de draak steekt met Conscience. Over wanneer deze prent gemaakt is, liepen de meningen lange tijd uiteen. Een gelukkige vondst in het Antwerpse Felixarchief maakte een eind aan alle gissingen. Het verhaal achter deze spotprent vertelde ik in 2023 in het tijdschrift Zuurvrij . Dat artikel staat nu online op: https://letterenhuis.be/nl/content/conscience-als-draeijer

Conscience in Azerbeidjan

Straffe vaststelling: in Azerbeidjan zijn momenteel meer titels van Conscience beschikbaar dan in Vlaanderen. De bundel Flamand həyatından hekayələr uit 2024 bevat de romans De Loteling, Baas Ganzendonck, Blinde Rosa en De arme edelman. De Leeuw van Vlaanderen is uitgegeven in 2023 onder de titel: Flamand Şiri. Vertalingen door Anar Rəhimov bij uitgeverij Alatoran.

Op de achterflap van Flamand həyatından hekayələr staat: De wereldberoemde schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) wordt gezien als een meester onder de Belgische schrijvers in de Vlaamse taal en is bij lezers vooral bekend om zijn werk “De Leeuw van Vlaanderen”. Toen deze verhalen uit deze bundel werden geschreven, werd België in het Frans bestuurd en werd Frans beschouwd als de taal van de adel en de hogere klasse. Het boek beschrijft op knappe wijze het plattelandsleven in 19e-eeuws België, de beroepen van de mensen, de turbulente gebeurtenissen die destijds in Europa plaatsvonden, de sociale ongelijkheid en romantische, loyale en ongewone liefdesaffaires. Wellicht heeft geen enkele schrijver deze periode in Europa zo natuurlijk in zijn werk weergegeven als Conscience.