Tagarchief: Domien Sleeckx

Tweede brief van Sleeckx

De tweede brief volgt meer dan een jaar later. Er is inmiddels veel gebeurd. Op 22 november 1844 verscheen het allerlaatste nummer van Vlaemsch-België. Ondanks verwoede pogingen vond men geen investeerders bereid om nog verder te investeren in de krant. De voornaamste reden was dat de krant geen politieke kleur wou kiezen, en toen De Laet dat uiteindelijk wel wou doen, vond men hem ongeloofwaardig.


Een dag later viel bij de abonnees het eerste nummer van De Vlaemsche Belgen in de bus, met Sleeckx en Van de Velde als hoofdredacteurs, en met financiële steun van katholieke zijde. Sleeckx deed dus exact wat hij en anderen jarenlang aan Conscience zouden verwijten in verband met de herwerking van zijn debuutroman. Hij verkocht zich aan de katholieke partij. Volgens Sleeckx is het falen van Vlaemsch België voor de volle 100 % op het conto van De Laet te schrijven, zoals hij op 25 november 1844 in een brief aan Jules de Saint-Genois omstandig uitlegt. En Conscience zou het daarover helemaal met hem eens zijn. Het was duidelijk dat ook interne twisten en naijver binnen de redactie hun rol hadden gespeeld bij het ter ziele gaan van de krant. Conscience zelf was zwaar aangeslagen door de mislukking, want hij had ‘als een slaaf’ voor de Vlaamse zaak en voor Vlaemsch België gewerkt: ‘de ondankbaerheid van hen aen wien ik niet alleen mynen tyd opofferde; maer voor wien ik myn persoon in standen gesteld heb, waeruit ik niet zonder wonden ben geraekt: die verstandelooze ondankbaerheid heeft my eene bittere les gegeven’, schreef hij aan Ferdinand Snellaert, op 7 mei 1845. Hij was er depressief van geworden, had zich uit alle tijdschriften teruggetrokken, ging niet meer naar de Olyftak en betreurde dat er geen eenheid was in Antwerpen. En toch zag hij lichtpuntjes. Hij had jonge schrijvers leren kennen als Jan van Beers, Hendrik B. Peeters en Eugeen Zetternam. En hij leek er terug moed in te krijgen, want hij voegde de er aan toe: ‘In alle geval myn nek is hard en myn moed nog jong; myne werkloosheid is eene nieuwe inzameling van krachten.’

Op 20 juni 1845 leden de katholieken bij de verkiezingen de nederlaag. Meteen werd de steun aan De Vlaemsche Belgen stopgezet en tien dagen later verscheen het laatste nummer. Sleeckx en Van de Velde vielen evenwel niet zonder werk, want ze waren voor hun uitgever C.J.A. Greuse al enige tijd bezig met het samenstellen van een Fransch-Vlaemsch en Vlaemsch-Fransch Woordenboek in de nieuwe spelling die sinds oktober 1841 in België gangbaar was. Het zou in afleveringen verschijnen, en half juni werd het prospectus gelanceerd met een voorbeeldkatern. In dit prospectus werd Conscience vermeld als een van de medewerkers. Conscience schreef trouwens een mooi artikeltje hierover in het Kunst- en Letterblad (jg. 6 (1845) nr. 25, p. 99) en noemde het woordenboek ‘de gewigtigste en nuttigste pooging […] sedert de opkomst onzer letterkunde’ om de kring van die jonge letterkunde ook ‘tot het wetenschappelyk onderwys uit te breiden en werken van algemeen en dagelyksch nut aan het volk te leveren’.

Niet onbelangrijk is evenwel dat Conscience op 26 juli, nog geen maand na het verdwijnen van De Vlaemsche Belgen een nieuw geheim genootschap gesticht had ter ondersteuning van de Vlaamse zaak, niet onpartijdig, niet partijdig, maar bovenpartijdig. Het heette De Toekomst heten, en zou vanaf 9 december herdoopt worden tot het Heilig Verbond. Bij de leden wel Jan de Laet, Door van Ryswyck en Sus van Kerckhoven, maar niet Sleeckx en Van de Velde. Ik bespaar jullie de volledige ledenlijst. Wie zijn weg verliest bij al die namen kan trouwens terecht in het menu van deze website onder het kopje De biografie/Dramatis personae.

Brief 2

Brussel 2 september 1845

Vriend Sus,

Ik ben al verscheidene keeren des zondags ’s morgens aen de Statie geweest, om te zien of ge nog niet een keer naer hier kwaemt. Ik heb u nog niet gezien. Ge zult zeker naer de expositie wel komen zien, he? In dat geval, wij woonen nu op zy den yzerenweg in de zavelstraat N° 1, nevens de Groenstraat. In geval ge ons direkt wilt vinden als ge naer Brussel komt ga dan naer de herberg Le Chateau d’Anvers bij Stuyck, aen de statie bij den uitkoom, en vraegt naer ons. Ze zullen ’t u daer wel zeggen. Indien ge den rik [= Consdcience] ziet geeft hem myn adres zoo ook. En zeg hem ne keer, dat hij ons ook al gauw komt bezoeken.
Ge zoudt niet kunnen gelooven wat een plezier het ons zou doen, zoo eens iemand van eulie hier te zien. We leven hier lyk kluizenaren. Alle grondige dagen wroeten van ’s morgens tot ’s avonds, en nielabnd zien; want zeg nu aleens wie zouden we zien. We wonen aen den eenen kant van de stad en het is wel een maend leden dat ik niet meer in de stad geweest ben.
De eerste levering van ons woordenboek is afgedrukt. Ze zal deze week nog uitkomen. Ge moet ons eenen dienst doen. Dat de kalotten van Gent, en andere plaatsen er wat zullen weten op af te wijzen, dat laet zich bevroeden. Maer hoe stout ook! Twee menschen zonder grys hair, die een woordenboek maken, hoe zou dat boek kunnen goed zyn. Zie nu hier. Conscience, [Pieter] Ecrevisse, [Jan Baptist] Pietersz. enz. laten ons hunnen naem als meêwerkers op den titel drukken. Dat stelt zoo een zeker soort van dyk daer, tegen de woede der vissers. Ge moet ons de permissie geven, uwen naem daerby te zetten, met titels enz. Comprometteeren zult ge er u niet meê doen, dat beloof ik u. Indien ge er conscientie in maekt er uw naem op te zetten, daer ge niet metterdaed meêwerkt, wel dan zullen wy u proeven zenden. Dat ware ons zelfs aengenaemd zoo ge wekelijks 16 bladzyden met wat zorg wildet overzien. He! Wilt ge? Het zal ons plezier doen. Schryft ons daer ons eens spoedig over.
De mannen van Gent spelen hier woensdag. Dat waer eene goede occasie; maer ik weet niet of de expositie met de september feestdagen wel open is. Wacht, ik zal eens zien – Ja, ja ze is open, dus, zie wat ge doet. Komt met den rik, zoo niet schryft zoo gauw als ge kunt, wat we met uwen naem mogen doen, en wanneer ge komt.
Hoe gaet het ginds by eulie? En met de familie. By ons is alles goed.

Jaek [Van de Velde] drukt u de hand.

Mynheer
Mynheer Van Kerckhoven,
Letterkundige
Koepoortstraat
Antwerpen
Bruxelles 22 sept. 1845
Anvers 23 sept. 1845

Uw vriend,
D. Sleeckx

*****

Opdracht van Hippoliet van Peene, de tekstschrijver van De Vlaamse Leeuw, aan Conscience in de boekuitgave van zijn bewerking van Siska van Roosemael. (Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis.)

De mannen van Gent zijn de leden van de Gentse maatschappij Taelyver en Broedermin. Zij spelen op woensdag 24 september in de Parkschouwburg een toneelbewerking van Consciences roman Siska van Roosemael, geschreven door hun voorman Hippoliet van Peene. De opbrengst gaat naar de armen van de stad Brussel.
De expositie waar Sleeckx het over heeft is de Nationale tentoonstelling van schone kunsten, die op 15 augustus geopend werd door de minister Sylvain van de Weyer, en waar 846 stukken te zien zijn. Een jaar eerder heeft Van Kerckhoven over een gelijkaardige tentoonstelling geschreven in Vlaemsch-België.