De komende weken ga ik hier de brieven publiceren van Domien Sleeckx (1818-1901) aan Pieter Frans van Kerckhoven (1818-1857), voor zover bewaard. Waarom doe ik dat? Wel, ik geniet van de taal waarin de brieven geschreven zijn, het af en toe zeer sappige patois van Sleeckx. Maar het zijn toch vooral belangrijke brieven, 32 in totaal, die een heel verhaal vertellen en zeer goed de sfeer weergeven van het geruzie in de jonge Vlaamse beweging tussen 1844 en 1850. De belangrijkste figuren worden veelal gewoon bij hun roepnaam genoemd: Sus (P.F. van Kerckhoven), Rik (Hendrik Conscience), Door (Theodoor van Ryswyck), Jan (Jan Alfried de Laet), …

Sleeckx en Van Kerckhoven zijn allebei vrienden van Conscience die na enige tijd met hem gebrouilleerd raakten, de eerste in 1845, de tweede een jaar later. We zien in deze brieven hoe Sleeckx geleidelijk aan kwaad wordt op Conscience en zijn woede probeert over te brengen op zijn vriend Sus, die een tijdlang Conscience trouw blijft. Maar wanneer Conscience twee keer stevig tegen de kar van Van Kerckhoven rijdt, keert die zijn kar en wordt een van Consciences ergste tegenstanders. Die evolutie kunnen we in deze brieven goed volgen. Jammer genoeg gaat deze briefwisseling maar in één richting. De antwoorden van Van Kerckhoven zijn niet bewaard, of in ieder geval tot nog toe niet opgedoken.
De brieven worden hier letterlijk genoteerd in de commissiespelling, die in die tijd gebruikelijk was, en van de Nederlandse spelling afweek door het gebruik van y i.p.v. ij en ae en ue i.p.v. aa en uu. Er worden geen voetnoten gebruikt. Soms wordt in de brieven tussen vierkante haken nuttige informatie toegevoegd, zoals voornamen of familienamen of een beroep. Bij elke brief komt een inleiding en een nawoord, waarin nog een en ander verhelderd wordt. Bij elke nieuwe brievenpost verhuist de brief naar de website onder het menu ‘Verhalen’.
De originele brieven worden bewaard in het Koninklijke Bibliotheek in Brussel, en een fotografische reproductie bevindt zich in het Letterenhuis. Ik heb mij op deze reproducties gebaseerd.
Sleeckx en Van Kerckhoven hebben tijdens hun leven elk een omvangrijk oeuvre bijeen geschreven en hebben daarmee een belangrijke plaats verworven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur.
Ze leerden mekaar kennen op het Antwerpse Atheneum, toen nog gevestigd in de Prekersstraat, waar ze beiden studeerden met een studiebeurs van de stad. Eenmaal afgestudeerd vertrok Van Kerckhoven met een beurs naar Bologna om daar medicijnen te gaan studeren. Sleeckx was twee jaar notarisklerk en werd dan leraar in de Modelschool aan Prinsenstraat nr 1, waar voor de omwenteling ook Conscience een tijdje ondermeester geweest was bij Joseph Shaw, en daarna in de Meistraat. Sleeckx vertelt over zijn kindertijd en de vroege jaren van zijn carrière in Indrukken en Ervaringen, postuum uitgegeven in 1903 en in een uitgebreidere versie in 1982 bij Orbis Orion. Het probleem met memoires geschreven op het eind van een leven is wel dat ze niet altijd even accuraat zijn. Zo vertelt hij daarin dat hij op 2 februari 1818 geboren is in de Pompstraat. Dat is ook de straat waar Conscience geboren is. Iedereen neemt die gegevens vlotjes over, maar niemand geeft het huisnummer. De datum klopt, maar de straat niet. De bevolkingsregisters liegen niet. Daarin staat dat Sleeckx niet in de Pompstraat geboren is, maar vlakbij in de Sint-Jansstraat, de huidige Aalmoezenierstraat, en wel in nr. 19, waar zijn ouders inwoonden bij zijn grootouders langs moederszijde. Pas op 24 november 1819 verhuisde hij naar de Pompstraat nr. 18 en vervolgens op 16 april 1820, nog geen vijf maanden later, naar de Steenbergstraat 27, om op 19 augustus 1820 opnieuw bij de grootouders te belanden in de Sint-Jansstraat. Daar was ruimte vrijgekomen doordat de onderhuurster overleden was en twee broers van zijn moeder elders een schoenmakerij wilden beginnen.
In juni 1838 keerde Van Kerckhoven na drie jaar om ‘politieke’ redenen uit Bologna terug en kwam Sleeckx opzoeken. Samen discussieerden ze over literatuur en ze daagden mekaar uit verhalen te schrijven. Hij zette nog even zijn studies verder aan het Sint-Elisabethziekenhuis, waar hij ‘ontdekt’ werd door Jan de Laet en Conscience. Van Kerckhoven moet een grote indruk op Conscience nagelaten hebben, want hij nam vier verzen van hem op als motto van het 22ste hoofdstuk van De Leeuw van Vlaenderen, en introduceerde hem op 2 december 1838 in De Olyftak. Sleeckx zou al snel volgen. Van Kerckhoven liet de geneeskunde achter zich en werd klerk op het kantoor van zijn vader. Hij startte het Vlaamse literaire tijdschrift De Noordstar (1840-1842), waaraan Conscience, De Laet en Door van Ryswyck onmiddellijk hun medewerking toezegden. Later werd hij lid van Consciencers geheime genootschap De Hermans. De belangrijkste realisatie van De Hermans was de stichting van de krant Vlaemsch-België (1.1.1844 – 22.11.1844). Jan de Laet werd hoofdredacteur (en zou wegens ziekte een tijdlang door Conscience vervangen worden) en als redacteuren werden Domien Sleeckx en Jaak van de Velde aangenomen. De drie heren verhuisden eind 1843 naar Brussel, waar Sleeckx tien jaar zou blijven. Het is uit deze periode dat deze briefwisseling dateert.
De eerste brief schrijft Sleeckx gedeeltelijk in hoedanigheid van redacteur van Vlaemsch België. Sus van Kerckhoven was een van de medewerkers en publiceerde van 25 tot 28 juli 1844 een reeks artikelen ‘Dryjarige pronkzael voor beeldende kunsten te Gent’, waarin hij de schilderijen in de tentoonstelling van de Gentse academie bespreekt. Het is naar deze reeks dat Sleeckx in zijn brief verwijst.
Brief 1
Brussel, 24 Augusty [1844]
Vriend Sus,
Ik had u al eerder moeten schryven zult gy zeggen; het is waer, maar zie, gy moogt my gelooven, ik verwaerloos alle myne vrienden en kennissen, niet alleen omdat my dikwyls de tyd ontbreekt, maer nog, omdat ik dikwyls in den dag zoodanig zat geschreven ben, dat het my moeite kost voor my zelven eene letter op het papier te zetten.
Ik ben echter voornemens het anders aen te leggen, en daarom begin ik met u te schryven. Waerom wy aen uw verzoek, van over [Ildefons] Stocquaert in eene noot te spreken, niet hebben voldaen, zal Jan [de Laet] u zeker al gezegd hebben. Het is inderdaed waer, Sus, die Stocquart gy weet het heeft sedert lang iets tegen Jan, en van daer gaet hy uit om vlaemsch belgië te benadeelen. De reden waerom wy uit gesneden hebben wat gy van hem zegde, kent gy dus; het is dezelfde die ons u heeft doen verzoeken wat meer van [Théodore-Joseph] Canneel te schryven, die misschien geen goed schilder, maer toch een warm Vlaming is, daer hebben wy bewyzen van. Altyd en overal de heilige zaek voor alles!
Wat gy daer gedaen hebt met die Societeit te stichten is voortreffelyk, ik hoop dat het zal voorspoedig gaen. Uwe redevoering is fraei en warm. Zy moet effekt gedaen hebben. Ik twyfel niet of de duitsche blaren zullen ze geheel of gedeeltelyk overnemen.
Apropos, zie hier welke bladeren stukken uit uwe tentoonstelling van Gent hebben overgenomen: Het Journal de la Haye, der Annonce nu de Impartial de Bruges, la Chronique de Courtrai, de Vlaming, De Gazette van Westvlaenderen, de Staetscourant, de Rotterdamsche Courant, de Kölnische Zeiting enz.
Ik heb uwe redevoering vrydag niet meer kunnen zetten omdat zy ons wat laet is toegekomen. Het entête is niet groot gelyk gy ziet, maer de tyd ontbrak my. Reken dat ik heel de staetkunde op myn lyf heb; daerby een deel van ’t stadsnieuws want Jaek [van de Velde] heeft werk genoeg met fondsartikelen te schryven. Daerby heb ik Nothomb nog een beetje op zynen kop moeten zitten, gelyk gy ziet; zoodat gy wel denken kunt dat ik de handen vol had. By de eerste gelegenheid zullen wy daer echter op terug komen.
Wat gy moest doen Sus, ge moest ons zoo van tyd tot tyd wat nieuws schryven dat ge by eulie zoo al hoort. Gy denkt gy dat dat weinig belang bybrengt, maer gy bedriegt u. Er zyn er onder de gazetlezers heel veel die enkel op nieuwskens leven, en voor die is een versch nieuws eene zeer lekkere spys. Gy moet daerby denken, dat een dagblad onder alle betrekkingen moet goed zyn, en al die klein vodden maken een groot deel van deszelfs waerde uit.
Hoe staet het met de zaek te Antwerpen? Wy doen zien al wat wy kunnen, en ik beloof u dat we niet zwygen. Er zy[n] hier natuerlyk lyk by eulie ook al kou kiekens, maer wat moeten we doen? Eene onderneming gelyk de onze bestaet uit verschillende elementen, en wy kunnen niet vragen dat zy allen zyn gelyk wy. Als de flauw mannen by alle hunnen onbeduidendheid maer nog niet willen voor de aenleiders, voor de bazen doorgaen, dan is het nog niets.
Hoe staet het met den Door en zyne klik? Is Piet Poels ook van uwe Maetschappy, en wie nog? Gy moest my daer zo eens over schryven, ik hoor of zie byna niemand. Met Jan hebben wy altyd over zooveel andere dingen te spreken, dat we de rest vergeten; Gy moet my van tyd tot tyd als gy niet te laet slaept, daer zoo als eens iets laten weten.
En Manen [= Emmanuel Rosseels]? Zeg my hoe is die? Goed, maer onnoozel he? Schryf my eens of en hoe hy voor de Vlaemsche zaak is. Ik moet een recensie van zyn tydschrift [De Vlaemsche Letterbode (1843-1845)] maken, en ik zal my op zyn gedrag regelen.
Jules de St. Genois heeft my een brief en zyne werken gezonden. Hy is fel kontent. Ik heb hem echter harde waerheden gezeid, daer ik gelyk ge gezien heb[t] later wat honig heb moeten overdoen. Ik geloof dat die man, een goede zou zyn … indien hy niet te Gent ware.
Myne vrouw gaet goed. Myn tweede kleine geloof ik zal aftrekken. Hoe gaet het by u? zorg eens dat ge my wat schryft, he!
Herman D. Sleeckx
Sleeckx heet natuurlijk niet Herman, maar hij is ook lid van Consciences geheime groep de Hermans, en die spreken mekaar zo aan. De ‘Stocquaert’ waar hij zo tegen te keer gaat is de landschaps- en dierenschilder Ildephonse Stocquart (1819-1889). Hij werd geboren in Geraardsbergen, studeerde aan de Academie in Antwerpen, en zou in 1851 naar Sint-Joost-ten-Noode verhuizen. Blijkbaar was hij Vlaamsvoelend genoeg om aandacht te krijgen in Vlaemsch België, en had hij al eens met hoofdredacteur Jan de Laet in de clinch gelegen. Hetzelfde geldt blijkbaar ook voor Emanuel Rosseels: als hij niet voldoende voor de Vlaamse zaak werkt, krijgt zijn tijdschrift een negatieve bespreking, wars van de inhoud.
Ook over Jules de Saint-Génois doet Sleeckx nogal uit de hoogte. Hij heeft zijn historische roman Anna in de krant becommentarieerd. Nochtans is De Saint-Génois geen kleine jongen. Hij was provinciaal archivaris van Oost-Vlaanderen en is sinds 1843 hoofdbibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek. Bovendien is hij een aandeelhouder van Vlaemsch België.

De ‘tweede kleine’ waar hij het over heeft is Frans Jan Sleeckx, die geboren is op 29 juni 1844. We moeten het woord ‘aftrekken’ hier zien in de betekenis van heengaan of sterven. Sleeckx denkt dat de kleine Frans niet zo lang meer zal leven. Hij blijkt inderdaad een zwakke gezondheid te hebben, want hij is gestorven op 8 juni 1851, zes jaar oud. Dat is toch wat langer dan Sleeckx verwachtte. Frans Sleeckx speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Vlaemsch België. Domien Sleeckx ging op 30 juni de geboorte van Frans aangeven en vroeg een Nederlandstalige geboorteakte. Schepen Verhulst van Burgerlijke Stand weigerde en Sleeckx spande een kort geding aan op basis van artikel 23 van de grondwet: ‘L’Emploi des langues usités en Belgique est facultatif.’ Ik schrijf de zin in het Frans, want het zal nog tot 1967 duren voor de Nederlandse tekst van de grondwet rechtsgeldig is. De rechtbank stelde Sleeckx op 27 juli 1844 in het ongelijk op basis van datzelfde artikel. Het taalgebruik in de administratie was bij geen enkele wet geregeld, dus mocht de ambtenaar zelf kiezen welke taal hij gebruikte. Sleeckx werd veroordeeld tot het betalen van de kosten. De loop van het proces werd in Vlaemsch België op de voet gevolgd. Zelfs de pleitredes van de advocaten werden op 21 en 24 juli in de krant gepubliceerd. Tot ver in augustus bleef de zaak een belangrijk topic in verscheidene kranten en weekbladen.
Over dit onderwerp schreef Marc Carlier een interessant artikel: ‘Domien sleeckx (1818-1902) en Vlaemsch België (1.1.1844-22.11.1844)’, in: Verslagen en mededelingen van de KANTL (nieuwe reeks). Jaargang 1991, p. 116-147. (Online terug te vinden in de dbnl.)