Gerechtigheid van Hertog Karel (1876)

1

Potloodtekening door Edward Dujardin

Hoofdstuk 1
Het is het jaar 1468, het tweede jaar van de regering van Karel de Stoute. Thomas Evertand en zijn kinderen Jakob en Begga, en haar verloofde Lucas Neliszone, zijn Houtkerels. Ze wonen in het Bulkenbos wonen, niet ver van Wingene. Begga heeft in hun hut al twee keer bezoek gehad van jagers. ‘Hunne taal doet mij blozen; hunne vleierij ontstelt mij diep’, vertelt ze ’s middags. Een van hen, een ‘schoone ridder’, kijkt haar met zijn zwarte ogen zo strak aan dat ze er bang van wordt.
Er zijn ook sociale wantoestanden. Thomas en Jakob zijn opgeëist door de heer van Wingene. Ze moeten komen helpen, tot al het hooi binnen is. Dat leidt tot heftige discussies. Lucas vindt dat je geen keuze hebt en je aan de machthebbers moet onderwerpen. Thomas en vooral Jakob, vinden dit een ‘schreeuwend onrecht’.
Nadat Lucas nog verteld heeft over het op handen zijnde huwelijk van hertog Karel in Brugge, gaan Thomas en Jakob terug werken op het veld. Jakob ziet kort daarop hoe een ridder Begga op zijn paard meesleurt. Hij rent er heen om hem tegen de houden, maar de ridder steekt hem met zijn degen neer. Thomas probeert zijn zoon nog te verzorgen, maar kan niet verhinderen dat Jakob sterft.

Illustratie van Louis Dunki, gexylografeerd door B.D.T (Tony Beltrand), voor Les Bons Romans, 1883.
Illustratie door Edward Dujardin

Hoofdstuk 2
Tijdens een jachtpartijtje belooft Karel de Stoute, aan een ridder Walter Van der Hameide, om hem in zijn burcht, het slot van Hersberge, te bezoeken. Na de intense jacht, wil Karel rusten en komt terecht in de hut van Thomas Evertand. Niet wetend wie hij tegenover zich heeft, doet Thomas zijn verhaal. De schout bij wie hij geweest is, zegt niet veel te kunnen doen. En de hertog heeft daar geen tijd voor, denkt Thomas. Zijn gast belooft hem de hertog op de hoogte te brengen. Thomas beschrijft nog een ring, die hij in de buurt gevonden heeft en aan de schout heeft afgegeven. Hierdoor herkent Hertog Karel Walter Van der Hameide als de dader. De komst van een schildknaap openbaart de ware identiteit van de bezoeker aan Thomas en Lucas.

Hoofdstuk 3
Walter wordt thuis enthousiast ontvangen door zijn zuster Aleidis en zijn moeder, die een jonge edelvrouw als bruid voor hem op het oog heeft. Aan zijn vriend Adolf van Eerneghem vraagt hij om Begga voor enkele dagen weg te halen uit Hersberge. Hij wil niet dat de hertog haar zou ontdekken bij zijn bezoek. Om een reden die hij niet kan verklaren, wil hij haar ook niet laten gaan. Adolf begrijpt er niets van: ‘Welk belang kan een dorper meisje, zonder geboorte, hem inboezemen? Ware zij nog de dochter eens burgers; maar het kind van eenen verworpen kotwoonder!’ Zelf moet hij van die ‘kotwoonders’ niets hebben. Ze zijn ‘onplooibaar en trotsch in hunnen verworpenheid en ellende. Ik heb vele van die kotwoonders, van die vrijbuiters, op mijn heerlijkheid; het best is nog, ze met vrede te laten; want zij zouden uit wraak allicht de bosschen in brand steken of mijne dienaars achter hoeken of kanten vermoorden.’ Wanneer Adolf vraagt of er liefde in het spel is, ontkent Walter. Maar wat het dan wel is, weet Walter evenmin: ‘Ik kan het niet verklaren; maar dit gevoel is sterker dan mijn wil ….’

Hoofdstuk 4
Karel de Stoute laat zich over de wetgeving adviseren door zijn raadsman Antoon Michel, een ervaren rechtsgeleerde. En Conscience stelt de verhouding opnieuw scherp: de raadsman is ‘uit onedele ouders geboren’. Ridders beschuldigen hem ervan ‘de oorzaak te zijn, dat de nieuwe Hertog geneigd scheen, ten voordeele van onedele burgers en dorpere lieden, aan de leenheeren rechten te ontnemen, welke zij onder den vorigen Hertog onbetwist hadden genoten.’ De Hertog vraagt specifiek naar de straffen voor moord en vrouwenroof, informeert ook naar mogelijke uitzonderingen. En hij vraagt zich af, als op een misdrijf de doodstraf staat, waarom ridders er dan met een geldboete vanaf komen. Hertog Karel stelt duidelijk dat hij ‘de vader is van al zijn onderdanen’.
Wanneer Hertog Karel Walter Van der Hameide confronteert met zijn daden, geeft die toe dat hij Begga geroofd heeft, maar hij zegt: ‘ik durf tot vermindering mijner schuld doen gelden, dat zij het kind is van eenen man zonder geboorte, van eenen kotwoonder, die zelfs niet wettig onder eene heerlijkheid behoort en op geen hoegenaamd recht kan aanspraak maken. Wat het gewicht mijner daad ten haren opzichte – indien zij eenig gewicht heeft – geheel kan te niet doen, is de omstandigheid, dat ik dit meisje, sedert zij zich op mijnen burg te Hersberge bevindt, niet het minste kwaad heb gedaan, ja, zelfs hare hand nog niet heb aangeraakt. Indien uwe Hoogheid verlangt, dat zij onmiddellijk haren vader teruggegeven worde, zal ik met eerbiedvolle onderwerping mij haasten, haar in vrijheid te stellen; en ik durf hopen, genadige heer, dat, alles dus hersteld zijnde, gij in uwe grootmoedigheid mij dien lichten misstap zult gelieven te vergeven…..’
‘En de moord op den ongelukkigen broeder?’
‘Over dit tweede feit, geduchte vorst, kan ik mij met minder moeite verontschuldigen,’ hernam de jonkheer. ‘Die verworpene kerel had zijne onedele handen aan mij geslagen en wilde mij uit den zadel rukken. Tot wettige zelfverdediging trok ik mijnen degen…’
‘Tot wettige zelfverdediging!’ herhaalde de vorst met bittere scherts. ‘Is alle gevoel van rechtvaardigheid dan in uwen geest gestorven? Alzoo, wanneer de eigenaar van eenig geroofd goed, dit goed den dief wil ontnemen, en dat de dief den eigenaar doodsteekt, dit noemt gij zelfverdediging? Maar ga voort!’
Na zijn verdediging wordt Walter ter dood veroordeeld. Hij smeekt hij om genade en krijgt een alternatieve straf: hij moet Begga huwen. Wanneer hij zegt liever te sterven dan zijn geslacht te onteren, laat Karel hem opsluiten in de verwachting dat hij wel zal bijdraaien.

Hoofdstuk 5
In het kasteel van Hersberge zit Begga ondertussen opgesloten in een kamer met een tafel vol lekkernijen en juwelen. Walters bewering dat hij haar geen kwaad gedaan heeft – na de ontvoering dan toch – lijkt te kloppen. Begga is al even koppig als Walter. Ze gaat in hongerstaking, hoezeer de hofmeester ook probeert haar te overtuigen om toch iets te eten. En dan komt Adolf van Eerneghem haar ophalen zoals hij beloofd heeft, maar hij wordt overroepen door een delegatie van Hertog Karel om haar op te pikken. Ze halen haar vader en Lucas op en brengen hen naar Hertog Karel. Wanneer Adolf de veroordeling van Walter verneemt, noemt hij het ‘eene schreeuwende onrechtvaardigheid.’ En hij krijgt tranen in de ogen wanneer hij de enige voorwaarde tot genade verneemt, want hij beseft dat een huwelijk met ‘dit onedel en laaggeboren meisje […] zijnen ganschen stam – voorgeslacht en nakomelingen – met eeuwige schande zou bevlekken en minder nog dan de dood te aanvaarden is.’
Pas na de vereniging met haar vader en haar verloofde, ontdekt Begga dat haar broer vermoord is, en wanneer haar gezegd wordt dat ‘de mensch zich deemoedig aan Gods heiligen wil moest onderwerpen’ verzet zij zich verontwaardigd.

Hoofdstuk 6
Begga wil natuurlijk niet trouwen. Wat zou zij de vrouw willen worden van de laffe moordenaar van haar broer? Zij heeft wel bevestigd dat Walter zijn handen heeft thuis gehouden. Maar zoals de hertog opmerkt: ‘Ja maar, de wereld gelooft zoo lichtelijk niet.’ [De hertog heeft gelijk en dat weten de lezers van Conscience ook. Niemand gelooft dat de ridder een meisje schaakt, om er dan koekjes mee te eten. Het is een trucje van Conscience om te omzeilen dat de overheid niet wil dat hij over verkrachtingen schrijft.] De edelen, vergaderd bij mevrouw Van der Hameide, hopen dan weer dat de Schepenbank van Brugge het vonnis zou herleiden tot ‘een bedevaart en een zoengeld’. Conscience zet nog eens de willekeur van de rechtbank in de verf, wanneer Karel aan de schout vraagt welk vonnis volgens hem de rechtbank zal uitspreken. De schout, die toegeeft een verre bloedverwant van de ridder te zijn, zegt dat hij dat niet weet, want dat de rechters vrij zijn. Maar aangezien de beklaagde ‘van doorluchtigen huize‘ is en de aanklager van lage geboorte, vermoedt hij dat de rechters zich zullen beperken tot een boete aan de schout en een zoengeld aan de slachtoffers. Wanneer de hertog opmerkt dat de wet geen onderscheid maakt tussen hogere en lagere klassen, voert de schout aan dit ‘sedert lang een gebruik’ is.
Dit gebruik moet volgens de hertog verdwijnen. Het moet gedaan zijn de wet te verdraaien en te schenden ten voordele van rijken en machtigen. Hij spreekt over schreeuwende misbruiken en belooft: ‘ik zal voortaan niet meer toelaten dat men dus de heilige gerechtigheid verkrachte, al moest ook het bloed der rechters zelve op het schavot vloeien’.

Hertog Karel leest de schout de levieten. Illustratie van Louis Dunki, gexylografeerd door Adolphe Gusman, voor Les Bonnes Romans (1883).
Illustratie door Edward Dujardin

Hoofdstuk 7
Onder de druk van de Hertog veroordeelt ook de Schepenbank Van der Hameide ter dood, hoewel de familie nog gehoopt had er vanaf te komen met ‘eene geldelijke straf en eene verre bedevaart’. Na een reeks rijkelijk vloeiende tranen bij de verzamelde familie brengt de schout nog eens de oplossing van het huwelijk aan. Opnieuw gejammer, want dat is een ‘eeuwige schande’ voor hun ‘vlekkeloos geslacht’, maar zoals de schout zegt, de dood op het schavot is dat ook, én het ‘vernietigt alle hoop op aardsch geluk’. Verkrachting en moord daarentegen leiden blijkbaar niet tot schandvlekken op het blazoen, impliceert Conscience. Uiteindelijk geven ze toe. De schout gaat de familie Evertand halen, want Begga nog overtuigd worden. Hoewel Adolf zijn twijfels heeft bij ‘die stijfhoofdige kotwoonders’, ziet mevrouw Van der Hameide geen probleem, want ‘met geld kan men alles bij deze lieden’. Maar Thomas verkoopt het bloed van zijn zoon niet voor geld, en Begga weigert nog steeds trouwen met de moordenaar van haar broer.
De kanunnik heeft, na een ‘innig gebed’ met God, plots het licht gezien. Hij heeft ‘het onfeilbaar middel om ’s Hertogs genade te verkrijgen. […] Laat Walter met dit jonge meisje trouwen … Toon u niet ongeduldig, goede man, gij weet nog niet wat ik wil zeggen … Zoo haast het huwelijk is gevierd — in stilte en zonder eenige plechtigheid – zal ik met mijnen neef naar Rome vertrekken; en ik maak mij sterk, van onzen heiligen Vader, den Paus van Rome, de verbreking dezer ongelijke en wreed opgedwongene verbintenis te bekomen. Walter zou geen oogenblik met zijne vrouw onder een zelfde dak gewoond hebben, en het zal mij gemakkelijk zijn, dit onvoltrokken huwelijk te doen vernietigen. Dus zullen de nieuwe echtgenooten slechts gedurende eenige maanden in schijn getrouwd blijven. Daarna krijgt elk hunner zijne volle vrijheid weder’.
Wanneer het plan, na enig aarzelen, door iedereen aanvaard is, waarschuwt de schout nog dat het strikt geheim moet blijven: ‘Laat iedereen denken, dat gij, eenvoudig en oprecht, dit huwelijk hebt aanvaard.’
Opvallend is nog dat we een toenadering waarnemen vanuit de twee edelvrouwen naar de familie Evertand. In het slothoofdstuk gaan ze bijna gemoedelijk met mekaar om: ‘De grootmoedigheid en de bescheidene houding van den ouden boer verwonderden de edelvrouwen ten hoogste. Het was hun onmogelijk te begrijpen, hoe deze slafelijke menschen en verworpene kotwoonders een zoo klaar verstand en een zoo diep gevoel van eigenwaardigheid konden aan den dag leggen. Zij beweerden vrijgeborene lieden te zijn? Waren zij inderdaad de ongelukkige afstammelingen van een edel vervallen geslacht, welks bloed, na eeuwen dienstbaarheid, nog in hen zijn uitwerksel deed gevoelen?
Hoe het zij, de edelvrouwen, zonder een enkel oogenblik te kunnen vergeten, welke onmeetbare afstand hen van deze nederige menschen scheidde, toonden geenen afkeer meer voor hen en behandelden hen met zekere minzaamheid.’

Hoofdstuk 8
De beide families willen nu snel bij de Hertog gaan zeggen dat ze toestemmen in het huwelijk, maar ze moeten eerst Walter nog overtuigen. Het krijgt iets van een vaudeville, want niemand mag Walter spreken zonder toelating van de hertog, en die is met het oog op de komst van zijn bruid net vertrokken naar Sluis. Wanneer de families in Sluis aankomen, is de hertog gaan varen. En wanneer hij terugkomt, staan ze aan de verkeerde kant van het water. Als ze dan eindelijk de hertog te pakken hebben, uit die zijn twijfels, maar geeft een schriftelijke toelating om Walter te bezoeken. De hertog is ook sneller terug in Brugge, en gehinderd door al de Bruggelingen die enthousiast op weg zijn naar het schavot, geraken zij slechts op het nippertje aan de gevangenis. Maar er komt geen happy end voor de adellijke familie, want Walter geeft niet toe. Hij verwerpt de genade van de hertog en geeft hem zijn visie op de gebeurtenissen: ‘Ik ben schuldig, zeer schuldig; maar gij, in stede van mij in de maat mijner misdaad te straffen, verwijst mij tot het schavot en wilt mijnen naam met schande overladen. Uw doel is de ridderschap te vernederen, om u door het gemeene volk te doen toejuichen; maar het zal u niet gelukken, heer vorst, het edelste bloed van Vlaanderen, tot groot vermaak der dorpere lieden, te verlagen; anderen nog zullen, als ik, weten te sterven om te getuigen tegen uwe onrechtvaardigheid. Wat hier zegepralen zal, geduchte heer, is niet uw wil of mijn wil, het is de eer der ridderschap.’
Maar voor de hertog blijft hij ‘vrouwenrover en een moordenaar’ en hij zendt hem naar het schavot met de woorden: ‘Beul, dat uw zwaard voor het volk getuigenis geve van mijne onverbiddelijke gerechtigheid.’